Het duurt niet lang voor ik de stad alweer verlaat. GUPA (Glasgow’s caving club) gaat op zomervakantie naar Wales, en dat kan ik niet missen. Zelfs niet als ik er 5 uur voor in een auto moet zitten luisterend naar Christelijke rock (met dank aan ene Alex Parker).
Alex zelf moet door naar Devon dus word ik langs de kant van de weg gedropt. Een modderweg, waarop koeien en schapen grazen, leidt naar de hut van de Oxford Mountaineering Club. Er is geen twijfel over mogelijk: dit is Wales.
Ik ben de eerste die aankomt bij de hut – de rest komt later met de minibus. Na het gas, warme water en de elektriciteit aan de praat te hebben gekregen, geniet ik van de stilte, wandelend door de weilanden in de avondzon. De hut warm ik alvast op voor de rest met een knetterend haardvuur. Ik geniet zo van m’n vuur dat ik vergeet om na zonsondergang naar buiten te kijken, waar zich vanavond een maansverduistering afspeelt.

Het is al laat als er hevig op de deur wordt gebonsd. Ik doe open en een groep stuiterende tieners stormt naar binnen, met in hun armen een berg speleologieuitrusting. Ze sprinten naar boven, vieze schoenen en al, om zo snel mogelijk een bed te claimen. Ah, de freshers!
De club heeft een hobbeligere reis gehad dan ik. Het is zondag (ongebruikelijk voor een caving trip) en niemand had bedacht dat Engelse supermarkten dan al om 16:00 sluiten. Dus moesten de inkopen voor tien man worden gedaan bij een tankstation. Voor nu hebben we in ieder geval ontbijt, en veel te weinig drank.
De minibus is aan de voet van de modderweg gestrand, dus moeten we een paar keer op en neer om alle spullen naar de hut te brengen. De maan, nu weer een oogverblindend wit, is reusachtig.
Die nacht zit ik met een grote grijns op mijn gezicht. Wat heb ik deze energie gemist – de pizza-in-een-pan, toren-van-bierblik gekkigheid. Maar ook…achterover leunen in de hoekfauteuil, de stille sudoku’s en poëzie, glunderend bladeren door oude grotsurveys.
Ogof Hesp Alyn

Noord-Wales is een andere trip dan anders, want een groot deel van de grotten hier zijn in feite geen grotten, maar mijnen.
Mijnen brengen hun eigen uitdagingen en nieuwsgierigheden. Waar grotten door miljoenen jaren natuurlijke slijtage zijn gevormd, zijn mijnen ontstaan door het brute geweld van de mens. De stabiliteit die een grot heeft, ontbreekt bij een mijn in zijn geheel. Een windvlaag kan genoeg zijn om hem te doen wankelen, en de natuur eist haar plek weer op.
De mijnen bewaren we voor morgen, eerst maar eens een grot in. De keus is tussen een eenvoudige grot en een moddergrot. Geef mij maar de moddergrot!
Voorbij de Clwydian Range ligt Ogof Hesp Alyn (‘Droge Alyn Grot’) aan de oever van de mooie Alyn Gorge. We zoeken even naar de ingang op het droge rivierbed, maar al snel vinden we de ingangsschacht, verstopt tussen de bosjes. De afgevaardigden vandaag zijn Attis, Andrew, Witek en ik. De rest van de groep gaat verderop in de kloof naar Ogof Hen Ffynnonau (‘Stropersgrot’).
Geloof het of niet, die moddergrot wordt de grootste worsteling die ik ooit heb gehad in een grot. Grappig genoeg is het niet de modder die het doet (die is vanwege de droogte veranderd in klei), maar de ongelooflijk onhandige beklimmingen, waar ik mijn lichaam in onmogelijke hoeken moet keren. Ik ben uit vorm – na de eerste klim ben ik al bekaf, en daarna is het een onbegonnen strijd tegen de verzuring. Ik heb het er zo warm van dat, wanneer een ijsbad zich aandoet, ik er met alle liefde in spring.
Maar we hebben dolle prot – een paar heerlijke, smerige kruippartijen, en op de plafonds fascinerende ronde tekeningen, die lijken op zwavelbronnen. We weten niet wat het is, maar ze hebben, in ware grotstijl, iets buitenaards.

Als we terug aan de oppervlakte komen, staat John ons op te wachten boven de grotingang. Het eind van de Stropersgrot bereikte de andere groep al na 20 minuten (maar ze vonden een alternatieve route, naar een lager niveau van de grot). Een hele andere dag dan wij hadden!
Maar daarmee is is het nog niet klaar met de grotten vandaag. Tony en Tony van de North Wales Caving Club hebben aangeboden ons mee te nemen naar de Minera Quarry (deels mijn, deels grot), waar alleen de club een vergunning voor heeft vanwege kwetsbare formaties in de grot. Ik heb mijn portie caving vandaag wel gehad, dus ik bied me aan om Daniel te vergezellen naar de supermarkt, zodat we de hongerige cavers vanavond kunnen voeden.
‘Een oproeptijd?’ Eén van de Tony’s haalt zijn schouders op.
‘Aan een paar uur hebben we wel genoeg, denk ik.’
Met moeite krijgen we een specifiekere tijd ontfutseld, maar hoe betrouwbaar die is weten we niet. Na een hele efficiënte trip naar de supermarkt zijn we om 21:00 weer terug op de parkeerplaats, een half uur voor de afgesproken tijd.
Maar om 21:30 is er nog geen teken van leven in het donkere bos. En ook om 22:00 niet. Wel arriveert een drietal dames, dat hun auto pontificaal voor het hek naar de groeve parkeert, en, na een tijd verstrooid om zich heen te hebben gekeken, het bos in loopt. God mag weten wat ze daar uitspoken. Daniel en ik stellen ons voor hoe ze op tien modderige cavers stuiten, die opdoemen uit de duisternis. Je moet wat om jezelf te vermaken tijdens het wachten.
Maar de lichtjes die even later verschijnen zijn alleen van de dames, en als ze de parkeerplaats weer hebben verlaten (na hun koplampen op onze bus te hebben geschenen met een blik alsof ze een geest zagen) kunnen Daniel en ik weer verder met mopperen over hoe lang het duurt. Maar eigenlijk zijn we gewoon jaloers.
Moeten we dan maar cave rescue bellen? Tony en Tony zijn ongelooflijk ervaren cavers, dus we geven ze nog even.. En ja hoor, als de club dan eindelijk terugkeert, worden we begroet met een nonchalante ‘het duurde wat langer’.
Hup hup hup, omkleden maar. We bedanken de Tony’s en kunnen niet snel genoeg naar de hut scheren, rammelend van de honger.

Om 1 uur ’s nachts zitten we aan tafel met een stomende kom curry. Zo gaat dat op caving trips. De nacht wordt dag en de dag wordt nacht – tijd bestaat niet onder de grond.
Ik kruip vrij snel daarna mijn bed in; Ogof Hesp Alyn heeft me gesloopt. Zodanig dat ik niet eens weet of ik morgen wel de grond in kan. Maar ik ga toch, want dan staat dat gepland waar we allemaal voor gekomen zijn: de mijn met de boot.
Croesor Rhosydd

Al sinds de Romeinse tijd wordt in het noordwesten van Wales leisteen gewonnen. Tijdens de Industriële Revolutie was het gebied de grootste producent van leisteen ter wereld. Grijze dorpen tussen steengroeven, de bergen van Snowdonia aan het oog onttrokken door hellingen van leisteen. Ze zien er indrukwekkend uit, en tegelijkertijd hebben ze iets treurigs.
Vandaag de dag zijn het niet mijnwerkers, maar toeristen die naar Blaenau Ffestiniog komen. In een stoomtrein volgen ze de route die wagons beladen met leisteen naar de haven van Porthmadog brachten.

In Ffestiniog, dinas y llechi (‘leisteen stad’), werd de leisteen niet bovengronds in een groeve, maar ondergronds gewonnen. En daarom zijn we hier.
Het dorp wordt aan alle kanten omgeven door mijnen, maar de twee die wij bezoeken liggen afgelegener, in de Moelwynion heuvels. Rhosydd en Croesor zijn met elkaar verbonden door een ondergrondse kabeltram. Wij zullen de route van het oude spoor volgen door de mijnen heen.
Gisteren vroegen we Tony en Tony wat de spannendste grot was waar ze waren geweest. De mijn met de boot, zeiden ze. Dit was vooral te danken aan een brok leisteen zo groot als een bus dat twee meter van hen van het plafond naar beneden viel.
Met die voorstelling in ons hoofd beginnen we aan de klim. Om Croesor-Rhosydd te bereiken moeten we 4 kilometer door de heuvels klimmen, sjouwend met kilo’s aan touwen, in een warm caving suit dat net niet past. Het is altijd het zwaarste deel van een dag caving. Gelukkig hebben we genoeg om naar te kijken onderweg; het landschap is bezaaid met overblijfselen uit de mijntijd: een kerk, barakken en molens, geplant in de dramatische heuvels van Snowdonia. Het zijn beesten van mensen, die zo iets groots hebben weten te bouwen in dit moerassige hoogland.
Het mijncomplex bestaat uit 170 kamers, uitgehold over 14 lagen, beginnend bij level 0, en dit telt op hoe dieper je komt. Een aantal mijngangen zijn verbonden met de buitenwereld. De laagste daarvan is bij level 9. Tegenwoordig is alles daaronder ondergelopen.
Wij gaan bij Croesor naar binnen. We lopen de mijngang door en al snel zien we lichtjes in de verte; het zijn twee grotduikers, die net aan een duik in een ondergelopen deel van de mijn beginnen. Het doet ons dromen, van gangen nog donkerder, nog dieper, die zelfs voor onze ogen onbereikbaar zijn.
We klimmen een level omhoog en stuiten op een eerste kamer. Eén voor één stappen we naar voren om onze lamp in het zwarte gat te schijnen. Het licht haalt nauwelijks de overkant, zo reusachtig is de ruimte. Het water is helder blauw en bodemloos zo diep.
De omvang van de mijn is haast niet te bevatten, kamer na kamer waarvan je het einde niet kan zien. En dat gaat zo maar door, honderden meters de diepte in.
Iets verderop is de eerste pitch waarin we afdalen. Er wordt gezegd dat je de kamer kan laten instorten met je stem, daarom wordt het de ‘Chamber of Whispers’ genoemd. Van te voren nam ik dit niet te serieus, wat kan een stem doen tegen deze machtige structuren? Maar nu ik hier sta, snap ik het. Het is een amfitheater, waar je stem de kracht heeft van een koor, eindeloos weerkaatst tussen de plakken leisteen.


Foto’s: Attis Fielden en Piper Cusmano
De pitch is zo’n 25 meter diep; geen diepte die ongewoon is voor een caver, maar toch voelt het akelig bloot om af te dalen in deze kathedraal van leisteen. Als zelfs Daniel een glimp aan zenuwen laat zien, vraag ik me af of ik me zorgen moet maken. Het is nog geen dag nadat ik compleet vergat hoe ik SRT moest doen.
Maar het is vooral de duisternis die intimideert: als ik over de rand tuur en de bodem zie, ben ik gerustgesteld; het mag dan leisteen zijn in plaats van kalksteen, de diepte is niet anders dan die van Rana Hole en Sell Gill.
Bovendien is het touw waarlangs ik abseil zo stug dat ik moeite moet doen om überhaupt beneden te komen. Het heeft iets meditatiefs, zo afdalen in stilte, het enige geluid mijn voeten die voorzichtig het leisteen aantikken.
We blijven fluisteren tot de volgende pitch, waar een roestige oude karabijnhaak het grootste obstakel is. De mijn blijft intact en dan komen we het echte speelveld binnen. Een parcours van ladders, hangbruggen, en een zipline, dat we afleggen over vele fluorescerende meren. Soms volgen we de verrotte balken van de spoorlijn, dan weer beklimmen we muren met bouten; soms zijn we hoog in de lucht en soms raken we het water. We hebben nog nooit zo veel lol gehad in een grot (of mijn) voor zo weinig moeite.
En dan het moment suprême: de ‘Chamber of Horrors’, waar een kano op ons ligt te wachten. De kano is ons middel om naar de overkant van de kamer te komen. De boot is vastgemaakt aan de muur door een pulleysysteem, waarmee je hem terug kan halen van de overkant van het meer. Het is de bedoeling dat je direct abseilt in de kano vanaf een lage klif. Aan John de eer om als eerste af te dalen, en het water uit de boot te hozen.
De boot moet al een tijdje niet gebruikt zijn, want hij is helemaal volgelopen met water. Attis, Piper, Daniel en ik hurken om de beurten neer bij de rand van de klif om John met het hoosvat te zien zwoegen.
Als de boot eindelijk watervrij is, laten we ons één voor één zakken, geleidelijk, zodat de boot niet kapseist. Piper en John maken samen de eerste oversteek. Dan gaat Daniel (die maar al te graag een solo kanotocht heeft), en als laatste Attis en ik. Verreweg het meest oncomfortabele aan de mijn is de koude bries die we voelen tijdens het wachten, en dat zegt veel over deze trip. Zodra we veilig in de boot zitten met reddingsvest aan, is het rustig peddelen naar de overkant. Peddelen door een magisch blauw, ondergronds meer. Wat meer kan je als caver willen.
Hierna betreden we Rhosydd, en rest ons alleen nog de taak om de uitgang te vinden.
Het Croesor-Rhosydd complex is de ondergrondse locatie met de meeste reddingsacties in Noord-Wales. Dit komt vooral omdat mensen de weg kwijt raken in het mijndoolhof op weg naar buiten. Hierom zijn er op meerdere plekken in Rhosydd routebeschrijvingen opgehangen, in een poging een aantal verdwaalde zielen te voorkomen. De route wordt zo in onze neus gedrukt, dat het nu haast onmogelijk voelt om te verdwalen.
We klimmen omhoog tot daglicht naar binnen schijnt, en dalen weer af in de diepte, langs de helling van een kabeltram. We komen langs draaischijven en een brok leisteen zo groot als..een bus? We lopen door een tunnel zo lang dat we een hele berg doorkruist moeten hebben. Elke gang heeft oneindig veel afslagen met oneindig veel kamers. En in elk van die donkere kamers heeft een mensenleven zich afgespeeld. Een leven lang gaten borend in de aarde.
Zouden ze ooit weer daglicht hebben gezien? Of zijn ze hier altijd gebleven, opgeslokt in hun eigen creatie?
Een grot is de aarde onaangeraakt. Een mijn is een aardse simulatie. Hier, in deze uitgeholde ruimtes onder de grond, zien we de volharding van de mens om de aarde naar zijn wil te vormen.
Maar eens komt er een dag dat Rhosydd instort. En misschien herinnert de mens zich dan weer, dat de aarde altijd het laatste woord heeft.



Geef een reactie