I shall hold you close
If I seem distracted at all
It’s merely soft winds of the sea
The sight of islands off the coast
— Ben Howard, Lotus flower
De Atlantische Oceaan is wild vandaag. Het opperdek wiegt vervaarlijk op en neer. Achter ons een spoor van schuim zo wit als de bergen van Knoydart aan de horizon. We zijn alleen op deze boot, wij en een handjevol anderen. Geen van hen met een rugzak zoals de onze. Winter is bijna daar, en wij gaan recht af op de besneeuwde pieken aan de overkant van de zee. De pieken van de Rùm Cuillin.

Het eiland Rùm, één van de Small Isles, is één van de wildste eilanden van de Hebriden. Voor haar bescheiden omvang van 13 bij 14 kilometer is ze ongelooflijk bergachtig: de beklimming van haar Cuillin keten – de hoogste piek 812 m – doet niet onder voor haar naamgenoot op Skye. De 30 inwoners van Rùm wonen allen in de baai van Kinloch. Op de rest van het eiland zijn edelherten de baas.
Na aankomst op de pier verdwijnen de andere ferrygangers direct in huizen langs de baai. Op de donkerste dagen van het jaar zijn Liam en ik de enige bezoekers hier. Geen wonder – de winters op Rùm zijn koud en hard. Toch dwalen mijn gedachten keer op keer terug naar deze plek. Naar die dagen in het holst van december waar ik geen enkele zonnestraal zag. Ik heb een vreemd verlangen in me naar duisternis.
Guirdil

De eerste nachten op Rùm brengen we door in Guirdil, een afgelegen baai aan de westkust van het eiland. Hier ligt een bothy, adembenemend mooi genesteld beneden tussen de steile heuvels.
De weg ernaartoe is lang en zwaar, eerst spekglad door ijzel (onze stijgijzers zijn een groot gemis), later gedrenkt in modder. Maar de vergezichten zijn waanzinnig, naar Skye in het noorden en de Rùm Cuillin in een mantel van wit. De sneeuwgrens is duidelijk te zien: op zo’n 300 m hoogte momenteel. Tussen ons tweeën slepen we meer dan 40 kilo over drassige velden en rivieren. Tegen 4 uur gaat de zon onder achter Bloodstone Hill (388 m), de spectaculaire heuvel boven de baai. In de schemering dalen we af naar Guirdil Bothy. Grazende herten met grote geweien laten ons dichtbij komen voor ze weggalopperen. Ze maken ons duidelijk: dit is hun territorium.


Voor een paar dagen slinkt onze wereld tot het zadeldak en de inhammen langs de kust. Regen en wind omsluiten ons, en al snel kunnen we niet eens de platte top van Bloodstone Hill zien. Onze enige herinnering aan een wereld buiten deze godvergeten baai is het eiland Canna voor de kust.
Guirdil is een plek van mijmeringen en reflecties. Golven vullen de hoeken van mijn geest. ‘s Avonds lees ik urenlang bij de haard, en kom ik terecht in een wereld van zeemannen en mythische wezens. In één ruk heb ik De oude man en de zee van Ernest Hemingway uit. Met de zee die buiten buldert is het niet moeilijk om op te gaan in het verhaal van de oude man die vecht met een reusachtige merlijn.
Liam brengt zijn tijd door met het splinteren van hout voor het vuur. Natte houtblokken laten we stomen op de koude stenen. Zo komen we de lange avonduren door, in die kleine cirkel rondom het haardvuur. Daarbuiten is het slechts een paar graden boven nul.
He rested sitting on the un-stepped mast and sail and tried not to think but only to endure.
‘s Nachts bonkt de wind op het dakraam boven de vide waar we op slapen. Vanuit het zuidoosten heeft ze vrij spel door Glen Guirdil. Het plan voor overdag was om Bloodstone Hill te beklimmen, maar bij de aanblik van het dichte wolkendek doen we dat toch maar niet.

We trekken er nog steeds op uit, want ook op een regenachtige dag is er rond Guirdil Bay veel te ontdekken. Bloodstone Hill is vernoemd naar bloedsteen, een glanzend groen mineraal met rode spikkels dat op de Britse Eilanden alleen op Rùm te vinden is. Op het strand vinden we meerdere stenen. Ook vinden we drijfhout en een aantal aangespoelde artefacten – het droogste hout nemen we mee terug naar de bothy voor ons vuur vanavond.

Duizenden jaren aan zeegeweld hebben de westkust van Rùm uitgekerfd tot vele inhammen en zeegrotten. Als grotfanaten zijn Liam en ik maar al te gretig om beschutting te vinden in de donkere gaten. Sommige grotten lopen vrijwel direct dood, met de nodige uitwerpselen van dieren, andere snijden dwars door de zee heen tot we bij een volgende baai terechtkomen. Wanneer we uit één van de tunnels klimmen stuiten we op een schitterende zeeboog, perfect gehouwen uit een zandstenen rots. Later zien we een groep wilde geiten op de hellende voet van een klif. Op de weg terug over de hoge kustkliffen worden we door de wind meegevoerd. Edelherten banen zich een weg naar de besneeuwde hoef van Orval. Maanlicht vult de muirs, en een zoemend geluid klinkt.



Naast het gastenboek in Guirdil Bothy ligt een kopie van het 18e eeuwse gedicht De Ballade van de Oude Zeeman van Samuel Taylor Coleridge. Het is wederom het verhaal van een zeevaarder, deze op een spookachtige terugtocht uit de Zuidpool. Zijn moord op een albatros leidt tot allerlei bovennatuurlijke rampen voor zijn bemanning. Lugubere illustraties brengen het verhaal tot leven.
In de vrieskou springen we in de Guirdil rivier. Dan rennen door het duister, snel terug naar de bothy. Damp stoomt van onze blote huid. Het haardvuur voelt nu nog zo veel warmer, en zo veel welkomer.
It raised my hair, it fanned my cheek
Like a meadow-gale of spring—
It mingled strangely with my fears,
Yet it felt like a welcoming.
Die avond woeden geesten in de oceaan, en vliegt een albatros over.

Guirdil was een koude, barre plek, mijlenver van menselijk leven. Ingesloten door de baai begon haar verlatenheid me vast te grijpen. Ik kon het voelen drukken op mijn geest, die in die periode al niet in de beste staat was. Na twee nachten aan de baai, zonder ontsnapping aan de regen en wind, besloten we dat we in beweging moesten komen, van omgeving moesten veranderen.
Kilmory

Vanwege veel getreuzel en bonkende koppijn is het twee uur ‘s middags voor we vertrekken uit Guirdil Bay, als de lucht alweer verduistert. De temperatuur is gestegen en de sneeuwlaag op de heuvels is voor een groot deel verdwenen. Glen Shellesder Burn is enorm toegenomen in volume. De rotsblokken waar we op de heenweg gebruik van maakten, zijn door de dooi en de regenval volledig weggewassen. We volgen de rivier stroomopwaarts in de hoop een betere oversteekplaats te vinden. Maar de rivier wordt alleen maar breder, en dieper. Uiteindelijk moeten we het doen met één rotsblok, midden in de rivier. Er naartoe stappen is makkelijk, maar vanaf daar is het een grote sprong naar de oever. Liam weet het net te halen, maar ik heb niet zulke lange benen. Met al mijn kracht smijt ik mezelf naar de overkant. Mijn romp landt in het riet, maar mijn benen worden bijna meegesleurd door de stroming. Op het nippertje trekt Liam me de kant op. Ik kom ervan af met slechts natte voeten. Glen Shellesder is inmiddels een waar moeras geworden, dus daaraan was ik toch niet ontkomen. Kilometerslang glibberen we door de modder tot we ons weer voegen bij de weg tussen Kinloch en Kilmory. We slaan linksaf, richting Kilmory Bay. Het is donker, maar de kust glinstert in het maanlicht.
In Kilmory loopt ‘s werelds langstlopende onderzoek naar een populatie wilde herten. De afgelopen 50 jaar zijn 250 edelherten door hun hele levensloop gevolgd, en zijn baanbrekende ontdekkingen gedaan over hun gedrag onder invloed van evolutionaire krachten en klimaatverandering. Zo bevallen hindes naarmate het klimaat opwarmt steeds vroeger in het jaar. En deze verandering is al sinds 1980 aan de gang.
De lichten van het onderzoeksgebouw zijn uit; de herten zijn in rust na de herfstbronst en ook de onderzoekers houden hun winterslaap.
We zetten de tent op in de nis van een heuveltje. Ons avondeten is een bij elkaar gesprokkelde pot noedels. Voor even klaart de lucht op en struin ik over het vochtige gras, in de ban van de sterren. Het is een prachtige laatste nacht op Rùm.

We zitten gehurkt in het gras en kijken uit over het strand, verschuild tussen rotsen zodat we de herten niet storen. Ze lopen over het natte zand, die kudde die hier generatie na generatie terugkeert. Ze zijn niet mensenschuw; vanochtend liep ik meerdere hindes tegen het lijf vlakbij onze kampeerplaats. De ochtend is onstuimig; spetters en windvlagen schudden me wakker. In de baai hangt een lage mist die steeds van gedaante wisselt, erdoorheen een zacht morgenlicht, onverwacht schitterend.
We lopen terug naar Kinloch, zodat we vanmiddag de ferry terug naar het vasteland kunnen nemen. In de paar dagen dat we hier waren heeft het eiland een metamorfose ondergaan. Barkeval is naakt en grauw zonder haar winterse kleuren.

Een man in een oranje ATV komt ons tegemoet. Het is de eerste persoon die we in dagen zien. Hij rijdt door tot Kilmory. Een kwartier later komt hij terug en stopt naast ons op de weg.
‘Onderweg naar de ferry?’
We knikken.
‘Die gaat donderdag pas weer.’
We hebben al dagen geen bereik en geen idee van de storm die woedt op zee. Ook in Kilmory Bay is die inmiddels zo sterk dat de man zijn veldwerk niet kon uitvoeren.
Het scheepsverkeer ligt twee dagen stil. Daar zijn de eilanders niet blij mee. Het is vandaag 20 december; donderdag is hun – en onze – laatste kans om thuis te komen voor kerst.
‘Maak je niet druk, ik zorg er hoogstpersoonlijk voor dat we hier donderdag wegkomen.’
Rùm wil ons nog niet loslaten. We weten niet waar we naartoe gaan, maar onze voorraden zijn op, dus we moeten in ieder geval naar Kinloch, waar de enige winkel op het eiland is.
Kinloch

‘Je gaat nu toch niet kamperen?’ De eigenaresse van het winkeltje kijkt ons vol ongeloof aan.
Als één van de 30 bewoners op een Schots eiland dit tegen je zegt, dan weet je dat je iets geks aan het doen bent.
‘Ik had eigenlijk wel zin om in Harris te kamperen,’ zegt Liam later, als we naar de BBQ hut lopen aan de andere kant van het dorp. Jinty heeft ons aangeboden in haar hutje aan het water te verblijven voor de prijs van twee pakken houtskool, waarmee we een vuurtje kunnen stoken. In de zomer verhuurt ze de hut aan toeristen op het eiland, maar nu staat hij al maanden leeg.

Het is een kadootje, deze knusse schuilplaats, na drie kille dagen aan de kust. Al snel is het houten hutje gevuld met een bedwelmende rook. De winterzonnewende brengen wij door met onze voeten omhoog, terwijl we kaarten spelen en bier drinken. Buiten giert een gure wind, maar wij zitten warm binnen bij de barbeque.
And the coming wind did roar more loud,
And the sails did sigh like sedge,
And the rain poured down from one black cloud;
The Moon was at its edge.
Dit zijn mijn laatste dagen in Schotland voor ik terugkeer naar Nederland voor ik weet niet hoelang. De gedachte eraan drukt zwaar op mijn schouders. Hoe kan ik dit land verlaten, de stille golven en de woeste grond waar mijn hart ligt?
De nacht bereikt zijn hoogtepunt en ook ik verlang naar een winterslaap. Ik wil de duisternis om me heen binnenlaten in mijn hart. Liam is juist rusteloos, vindt zijn toevlucht op de oevers en de paden. Ik blijf binnen, maar niet voor lang; als Liam een otter hide vindt moet ik wel loskomen uit mijn cocon, om die ook te zien.
De observatiehut ligt aan de rand van het bos, geweldig uitkijkend over Loch Scresort. In het logboek zijn waarnemingen genoteerd van zeehonden, otters, zelfs walvissen. Met behulp van gidsen in de hut spotten we zeehonden en allerlei waad- en watervogels, maar geen otters.

We volgen de kustlijn naar het oosten, op zoek naar een stel grotten en een staande steen die op onze kaart staan aangegeven. Eerst over resten van een oud pad, door een prachtig bos met overwoekerde ruïnes, maar verderop is het land volledig heroverd door de natuur. We vinden de overblijfselen van een nederzetting, Port na Caranean, verlaten in de 19e eeuw. De huizen werden waarschijnlijk als laatste bewoond door crofters verdreven van Skye. Het is een merkwaardige plek, zo dicht bij de zee als je maar kan komen; er is hier niks behalve de Skye Cuillin aan de horizon. Misschien dat de crofters daarom deze plek, hoe onvruchtbaar ook, uitkozen; zodat hun thuis altijd in zicht bleef.

We klimmen op en neer over rotsige inhammen en kiezelstranden, door veenmoeras en hoog gras. De pieken van Hallival (722 m) en Askival (812 m) torenen voor ons op, glinsterend met een laatste restje sneeuw. De grotten zijn nog verder, voorbij een aantal rivieren in klippen langs de kust. Maar de zon gaat onder, en in het donker wordt het nog moeilijker terug navigeren. Dus helaas moeten we rechtsom keren. Dat is niet voor niets; in de schemering raken we nog bijna verstrikt in een dicht bos spaartelgen.
Voor een gehucht met slechts 30 inwoners is er in Kinloch aardig wat te zien. Natuurlijk is er het misplaatste Edwardiaanse kasteel, dat al jaren leeg staat. Maar er is ook een gemeenschapshuis, bezoekerscentrum en een craft shop, en de deuren staan er altijd open. Elke ochtend staat er warme koffie klaar bij de dorpswinkel. Zelfs nu, in het holst van de winter, voel ik de kracht van de gemeenschap. Het is een simpel leven, dat versnelt en vertraagt met de getijden. Makkelijk is het niet; het is hard werken om de winkel en de school op het eiland draaiende te houden. Het leven hier is onderhevig aan de stormen op zee; deze bepalen de toevoer van goederen en de verbinding met de buitenwereld. Soms is men dagen aangewezen op zichzelf, en elkaar. Zoals nu.

Donderdagochtend laat de zon zich dan eindelijk zien: Rùm doet een laatste poging om ons hier te houden. Maar zon betekent ook ontsnapping. De eilanders stromen naar de ferry terminal, en wij met hen. De opwinding is voelbaar in de lucht. Er zijn er maar een paar die op het eiland achterblijven voor kerst, wiens diepste wortels hier liggen.
Ik wist het toen niet, maar nu zie ik de wervelwind waar ik doorheen ging die midwinter op Rùm voor wat het was: noodzakelijk. Want het is niet alleen vreugde die je in de wildernis hoort te voelen, het is angst en ontzag en trots, groot geluk en diepe wanhoop, en dat is de schoonheid ervan. Ze zijn allemaal deel van onze natuur. En ze moeten allemaal gevoeld worden. Door de duisternis van deze plek te voelen, kon ik me ook weer verwonderen; over de pijlstormvogels en de eeuwenoude crofts, over de schreeuwende bergen en de edelhertenbronst. Dus natuurlijk…ja natuurlijk dwalen mijn gedachten steeds weer terug naar deze plek, waar ik troost vond in de kleine BBQ hut te midden van de klaagzang van de winter.



Geef een reactie