Mijmeringen op een Munro

Droomvertellingen uit de hoogtes van Schotland

Alleen op de West Highland Way: dag 3-5

Buachaille Etive Mòr on an autumn morning, Scottish Highlands

In november 2023 liep ik de West Highland Way. Zelfvoorzienend en alleen probeer ik in 5 dagen de eindstreep te halen – 154 km met elke dag slechts 8 uur aan daglicht. Ik begin met stralend weer, maar de tweede nacht slaat het weer om, en vanaf dat moment voer ik een constante strijd met regen, kou en uitputting.

Dag 3

Doel: Bridge of Orchy
Afstand: 34,7 km
8 uur in daglicht, 4 uur in maanlicht

Op de derde dag wordt het echt zwaar. Ik word wakker in een miezerregen die de hele dag aanhoudt. Het landschap dat ik passeer is nat en grauw en gehuld in wolken. Het is niet de soort mist die sfeer geeft aan het landschap, het is gewoonweg miserabel.

Stipt om 8 uur vertrek ik uit Doune Byre bothy, gelijk met de zonsopgang. Niet dat die te zien is. Een groepje herten huppelt weg en gaat op in het verkleurde grasland.

Mijn bothygenoot neemt later vanmorgen de waterbus die kennelijk van het piepkleine piertje van Ardleish vertrekt naar de overkant van Loch Lomond. De pier ziet er verworden uit en ik vraag me af of die boot er wel echt is.

Mijn lichaam begint het vandaag te begeven, en toch is stoppen nog onplezieriger dan doorgaan; zodra ik stilzit ben ik niet alleen nat, maar ook nog koud. Ik heb niks beters te doen dan gewoon maar door te lopen, over het grasland aan het uiteinde van Loch Lomond, de glooiende heuvels boven de rivier Falloch, door het conifeerbos bij Crianlarich en de weiden van Strath Fillan. Ik weet ook dat als ik doorloop, er misschien wel een warme maaltijd en een droog dak op me wacht in het hotel van Bridge of Orchy. Dat vooruitzicht sleept me door deze dag heen.

Al voelt dat nog onmogelijk ver weg wanneer ik om 9 uur ‘s ochtends de verlaten camping Beinglas op loop om mijn waterflessen te vullen – ik heb pech, de kraan is afgesloten. Een half jaar geleden zaten hier tientallen wandelaars op picknickbankjes en op de grond een biertje te drinken. Nu is er helemaal niemand.
Nog zo’n contrast is de rivier Falloch, waar ik afgelopen mei in zwom. Nu is ze een schuimend, bulderend monster, dat me direct zou opslokken als ik erin sprong.

Op eerdere solotrips werd ik soms gek van het alleen zijn, mijn gedachten die in cirkels gingen. Maar op deze tocht ga ik zo op in het lopen dat ik soms voor uren geen gedachten heb, behalve welke afslag ik moet nemen of wanneer ik een pauze inlas. Ik klem me vast aan mijn schouderbanden en vind kracht in mijn volharding.

Nabij Crianlarich gaat een zwaarbepakte knul aan me voorbij. Daar is hij dan, mijn metgezel op het pad. Ik ben jaloers op zijn wandelstokken en lange benen. We wisselen niet meer dan een korte knik, voor hij weer uit het oog verdwijnt, stevige pas in de benen. Bij de splitsing slaat hij rechtsaf van de WHW af, het dorp in. Misschien wil hij zo snel mogelijk de droogte opzoeken van een pub. Ik zelf ga zitten op een stapelmuurtje om te lunchen. Mijn nederlaag tegen de regen aanvaard ik. Daarna vervolg ik mijn weg door het bos. De toppen van de hooglanden zie ik niet. Crianlarich is een halfuur om, dus ik zal een voorsprong hebben op de jongen. Maar in zijn tempo zal hij me vast snel weer inhalen.

Dat doet hij de komende uren niet. Tegen zonsondergang loop ik Tyndrum binnen. Ik heb bijna 24 km achter de rug in de afgelopen 8 uur en ik ben kapot. Het openbare toiletgebouw in het dorp is een zegen. Ik laat het monster op mijn rug van mijn schouders zakken. Mijn toilethokje voelt als het toppunt van comfort. Voor het eerst in twee dagen zit ik op een wc-bril en zie ik mezelf in de spiegel. Ik ben doorweekt en vies, een paarse kluwen aan haar om mijn schedel.

Hoe nu verder? Ik ben op tweederde van mijn bestemming bij Bridge of Orchy. Kan ik nog zo’n eind lopen? Weer een zwoeging door het duister, net zoals gister. Moet ik dat willen? Ik kan ook een eindje Tyndrum uit lopen, m’n tent opzetten en dan teruglopen naar het dorp voor eten. Maar als ik eenmaal in mijn tent zit, weet ik dat ik niet meer weg wil.
In Bridge of Orchy is een grasveldje aan het water, ingericht voor kampeerders. Als ik daar ga staan kan ik zo van het hotel mijn tentje in kruipen. Ik verlang zo naar die warme pubmaaltijd, en mensen om me heen..

Ik sjok de dorpstraat af, langs een pub en een snackbar. Ze zien er troosteloos uit in de miezerige schemering. In het dorpswinkeltje sla ik nieuwe voorraden in. In de ban van de verse voedselgeuren loop ik bijna langs het schap met kampeerspullen. Wat zie ik daar? Een paar wandelstokken! Ik kan mijn geluk niet op. Het kan me niet schelen hoe duur ze zijn, ik heb er alles voor over om iets van mijn gewicht te ontlasten (gelukkig kost het me maar 20 pond).

Vandaag heb ik moeten accepteren dat ik deze tocht misschien toch niet helemaal op eigen houtje kan. Ik vroeg een vriend die naar Fort William reed of hij iets van mijn gewicht kon aflossen. Helaas was hij al niet meer in de buurt, maar ergens voelde toegeven aan mijn worsteling al als verliezen.

Nee – om hulp durven vragen is misschien nog wel moediger dan alles zelf kunnen.

Ik weet niet of ik nog twee wandeldagen zoals deze had volgehouden. Maar met wandelstokken in mijn handen heb ik nieuwe moed. Nu doe ik het toch op eigen kracht – en een beetje op de kracht van de wandelstokken.

De route naar Bridge of Orchy langs de karakteristieke kegel van Beinn Dòrain is één van de mooiste etappes van de WHW. En ik loop ‘m in het donker. Ik weet dat het zonde is, maar de lokking van de pub is te sterk.

Eerst loop ik vlak langs de drukke A82. Koplamp na koplamp schijnt in mijn ogen, en verlicht de regendruppels in de lucht. Ik heb zo vaak over deze weg gereden, en naar de wandelaars op het pad gekeken. Wie had gedacht dat ik het zelf zou doen onder deze omstandigheden. Dan de rust in van een sfeervol bos. De WHW volgt hier de Old Military Road. Ik ben alleen tussen de schaduwen van de heuvels, al zijn er lichtjes van kampeerders in de verte tussen de bomen.

Ik richt me volledig op het ritme van mijn stokken. Tiktik tiktik tiktik op het grind. Zo loop ik nog 10,7 km in één ruk. Het duurt eindeloos en eindeloos voor eindelijk het zachte rode licht van Bridge of Orchy’s treinstation in zicht komt. Bij het hotel staat een groepje mensen in avondkledij te roken. Ik loop de brug over naar de overkant van de rivier en zet mijn tent op in het modderige grasveldje.

Ik ben helemaal van Loch Lomond komen lopen, 35 km door de regen, allemaal voor een warme maaltijd in de pub. Maar die maaltijd, die krijg ik niet, vertelt de gastvrouw me wanneer ik Bridge of Orchy Hotel binnenstap. Het is na 20:00 en de keuken is gesloten.

De teleurstelling is groter dan ik zou willen toegeven. Het klinkt misschien gek – geen regen of duisternis kon me de afgelopen dagen van stuk brengen. Maar dit is mijn breekpunt.

Het is zaterdagavond en er is een céilidh gaande in Bridge of Orchy. Tientallen feestgangers zitten te drinken aan de bar en dansen in de zaal naast ons. Het contrast tussen mijn doorweekte regenpak en de Schotten in avondjurk en kilt had niet groter kunnen zijn. Ik verstop me in een hoekje van de pub achter een warme chocomel. Op dit moment zou ik niets liever willen dan dansen en niet meer naar buiten hoeven.

In plaats daarvan zit ik even later gehurkt in m’n tentje een zak droogvoer op te warmen, terwijl regenwater tussen de open tentflappen naar binnen gutst.

Ik heb me dagen groot gehouden, maar nu de troost die ik zocht uitblijft, komen de beproevingen die ik heb doorstaan extra hard binnen. Ik ben te ver gegaan. Mijn lichaam is op.

Ik moet mezelf rust gunnen. Al gaat dat ten koste van mijn volgende wandeldag. Dat is moeilijk te accepteren, nu ik zo ver gekomen ben. Maar ik weet niet hoe ik anders verder moet.

Dag 4

Doel: Glen Coe
Afstand: 24,2 km
5,5 uur in daglicht, 2,5 uur in maanlicht

Ik slaap tot laat in de ochtend. Gisteravond had ik het niet gedacht, maar ik word wakker, en ik wil…ik wil verder. Uitslapen heeft me goed gedaan. Ik voel de veerkracht in mijn lichaam.

Vanwege de céilidh heeft Bridge of Orchy Hotel vanochtend ook geen ontbijt voor me, dus ik eet wederom een kom havermout met gepoederde melk in mijn tent. Het gure weer houdt maar niet op. Ik heb tenminste niks gemist door Beinn Dòrain gisteravond laat te passeren, de berg is vanochtend evenmin te zien.

Ik doe het rustig aan vandaag. Ik wil mezelf niet opnieuw te ver duwen. Kingshouse Hotel, 19 kilometer verderop, lijkt een goed doel. Ik kan er de hele dag voor nemen. De keuken van het hotel is wél tot laat open, zo heb ik al op de website gezien. Deze keer kan het eigenlijk niet misgaan. Maar ik wil niet al mijn hoop erop zetten zoals gister. Eerst moet ik maar door de kille vlaktes van Rannoch Moor zien te komen.

Dat wordt nog best een uitdaging. De 100 km die ik achter me heb, hebben hun aanslag gehad op mijn lichaam. Ik moet steeds vaker pauze nemen. Zodra ik opsta en verder ga, voel ik de zwaarte in mijn benen. Bij iedere stap een pijnscheut door mijn heup. Ik kies steeds een punt verderop langs het pad, tot waar ik mezelf dwing door te lopen. Soms red ik dat niet eens.

Wanneer ik afdaal naar Inverornan zie ik rookpluimpjes uit de schoorsteen van het hotel komen, eenzaam beneden in de vallei. Ik hoop op koffie, of misschien zelfs lunch, maar het is vals alarm. De deur is dicht. Dan maar weer een bolletje met hummus en kaas in de regen. Het is een trieste bedoening. De winterse Hooglanden zijn koud en hard. Maar dat maakt de waardering zo veel groter wanneer de zon even tussen de wolken door glipt, of een bergrug onthuld wordt. Het gebeurt vandaag een paar keer. Eerst wanneer ik door een bos met Schotse dennen loop. Een idyllisch gelegen ruïne doet me dromen van een leven in de Hooglanden. Later zijn het de grillige vormen van de Black Mounts in het westen, een onheilspellende gestalte door de mist heen.

Vandaag ben ik helemaal alleen op het pad. Het enige gezicht dat ik zie is de bewoner van een eenzaam huis nabij Victoria Bridge. Het weer gaat voorzichtig de goede kant op. Op Rannoch Moor is dat echter nauwelijks te voelen. Een onverbiddelijk landschap van moeras en hoogveen. De wind waait aanzienlijk harder hier. Het zou niet te doorkruisen zijn, was het niet voor de oude Parliamentary Road waarover ik loop.

Ik doe het rustig aan. En toch kan ik de gedachte niet helpen; als het me vandaag lukt nét voorbij Kingshouse te komen, haal ik morgen misschien toch Fort William.

Het begint al te schemeren wanneer ik voorbij het hoogste punt van Rannoch Moor ben, en eindelijk Glen Coe in zicht komt. Buachaille Etive Mòr, de parel van de glen, is verlegen vandaag, verstopt zich achter een laag wolken. Ik heb Glen Coe op veel manieren gezien, in vurige herfstkleuren, met besneeuwde toppen of juist weelderig groen – nooit zag ze er zo duister uit als nu.

Voor de tweede dag op rij val ik onaangekondigd een hotel binnen. Deze keer word ik echter met open armen ontvangen. Ik kan direct komen zitten in het nog lege restaurant, maar ik neem eerst een douche in het openbare toiletgebouw. Ik ben nog nooit zo blij geweest met een douche. Opgewarmd en opgefritst schuif ik aan aan tafel. Het is een oase aan gastvrijheid. Ik smul van een warme curry en drink een lekker biertje – oh wat is het genieten.

Een uur later kan ik niet verder weg zijn van het comfort van Kinghouse.

Neem je geen bedje in het bunkhouse vannacht? vroeg mijn moeder me nog. Ik was weer eens te koppig. Ik ging de WHW kamperen, dus kamperen is wat ik doe. Fort William is nog 39 km lopen, dus ik wil nog een paar kilometer maken, zodat ik morgen tot Glen Nevis Youth Hostel kom.

Die krijg ik keihard terug. Alles wat mis kan gaan gaat mis: mijn hoofdlamp valt uit, mijn been krijgt vreselijke kramp en mijn tentstok breekt af.

Het was de warmte van Kingshouse: mijn spieren dachten eindelijk te kunnen ontspannen, en werden toen abrupt uit die droom gerukt. De verradelijke smaak van comfort..

Mijn hoofdlamp dacht ik te hebben opgeladen, gisteravond in Bridge of Orchy en net in Kinghouse, maar blijkbaar niet voldoende. In mijn rugzak zou een reservelamp moeten zitten, maar tot mijn schrik heb ik die helemaal niet mee. Ik heb slechts een pocket zaklampje als laatste redmiddel.

Dus strompel ik in het donker langs de A82, terwijl vrachtwagens aan me voorbij scheren. Het zijn de 5 zwaarste kilometers die ik loop op de WHW.

Ik trotseer het allemaal met een kalmte die ik van mezelf niet ken. Zelfs wanneer ik in het duister een kampeerplek moet vinden. Zelfs wanneer ik zonder hoofdlamp worstel met zeilen en tentstokken. Dat is hoeveel ik gegroeid ben op dit pad. Het is het besef van hoe ver ik gekomen ben. Niets zal me er nu nog van weerhouden om het einde te halen morgen. Ik spalk m’n tentstok met tape. De tent staat en verder dan dat denk ik niet; als het aan mij ligt, lig ik morgen in een warm bed in Glen Nevis.

Dag 5

Doel: Glen Nevis Youth Hostel
Afstand: 31 km
7 uur in daglicht, 4 uur in maanlicht

Het is grappig hoe herinneringen werken – ik schrijf dit een jaar later, en herinner me nauwelijks alle ellende waar ik die dagen in november doorheen ben gegaan. Maar de imposante aanblik van Buachaille Etive Mòr die morgen staat nog vers in mijn geheugen, alsof het gister is. De rivier Coupall kronkelt in het dal en glinstert in de ochtendzon. Aan de voet van de berg ligt de Lagangarbh Hut, het beroemde witgeschilderde huisje, dat de Buachaille doet lijken op een reus.

Dat selectief geheugen hebben we als mens wel nodig, om steeds maar weer de kwellingen van het leven te trotseren, allemaal voor momenten als deze.

Ik ben m’n tanden aan het poetsen wanneer de jongen met de rugzak uit Crianlarich voorbij komt. Hij stopt niet om me te groeten. Het is duidelijk dat hij hier is voor zichzelf, en voor zichzelf alleen. Ik heb dus toch twee dagen voor hem uit gelopen. Mijn manke zere lijf doet het zo slecht nog niet.

De dag begint met een klim naar de Devil’s Staircase, een pas tussen de heuvels Stoc Mhic Martuin en Beinn Bheag in. Haar naam klinkt afschrikwekkender dan ze werkelijk is.

Er is deze herfst nog geen sneeuw gevallen. De nu vrije bergtoppen zijn kaal en blauw in het morgenlicht. Het is een stille ochtend en ik geniet van de uitzichten die steeds grootser worden hoe hoger ik kom. Dit is het hoogste punt op de West Highland Way.

Daarna daal ik af van 550 meter helemaal tot zeeniveau. Op de heide en rotsen tussen de wilde heuvels ben ik mijn element. Van het klauteren en afdalen krijg ik energie, veel meer dan op de lange vlakke stukken die ik achter de rug heb. Ik maak goede vaart en rond het middaguur loop ik Kinlochleven binnen.

Ik haal cappuccino en een bakje mac ‘n cheese bij een koffietentje dat helaas geen zitplek heeft binnen. Dus ga ik zitten op een bankje buiten, net wanneer het – het zal ook eens niet – begint te regenen.

Ik heb nog 22 km te gaan, over een hoge pas door de Mamores, om in Glen Nevis te komen. Voor de laatste keer sta ik op en hijs ik mijn rugzak op mijn rug. Op de een of andere manier verzamel ik de kracht om de laatste etappe aan te gaan, 6,5 uur aan één stuk door. Het is een ellenlang eind. Maar wetende dat het einde nabij is, zit ik vol adrenaline. Ik voel niet langer de pijn die al dagenlang in mijn heup zit, of het bloed tussen mijn tenen.

Boven de berkenbomen uit krijg ik een geweldig uitzicht over Loch Leven en de kegelvormige toppen van de Mamores. De meeste bomen hebben hun blaadjes verloren, maar het gras heeft een prachtige oranjebruine tint. Lairigmor is een wijde glen, blootgesteld aan de elementen. Het waait er hard, zo hard dat twee fietsers die me tegemoetkomen van hun fiets af moeten stappen. Ik marcheer door over de Military Road, zo snel mogelijk weg van deze open vlakte.

De pas buigt af naar het noorden en langzaam, heel langzaam, begint de afdaling richting Glen Nevis. De begroeiing wordt dichter; bomen en struikgewassen geven me beschutting tegen de koele bries.

Er is een glimp van een zonsondergang achter de heuvels en dan daalt de duisternis in. Ik loop heel lang door in het laatste schemerlicht. Er is veel maanlicht vanavond, en af en toe een heldere sterrenhemel tussen de snelbewegende wolken. Ik tintel van binnen. Om tussen de heuvels te lopen onder de nachtelijke hemel..

In de verte, beneden in een vallei, zie ik lichtjes branden, en rijdt een wagen langs over een onzichtbare weg. De mensenwereld komt dichterbij.

Ik klim over de laatste heuvels, en dan werp ik eindelijk de langverwachte blik op Fort William. Het is een spectaculaire aantocht in de nacht; na uren tussen de donkere heuvels, zijn daar plotseling duizenden lichtjes genesteld beneden tussen de steile rotswanden, aan de monding van Glen Nevis. En de reusachtige schaduw van Ben Nevis, de koning van de Hooglanden, aan mijn zij.

M’n hoofdlamp, die ik vannacht met mijn powerbank heb opgeladen, redt het opnieuw niet, en de laatste kilometers door een bosplantage heb ik alleen nog een zwak rood licht. Het maakt niet uit, ik ben bijna beneden in Glen Nevis.

Ik heb geen bed gereserveerd in Glen Nevis Youth Hostel, want ik wist niet of ik het zou halen vanavond. Vlak na 20:00 klop ik nerveus aan op de deur. Gelukkig is er plek. Ik krijg zelfs een slaapzaal helemaal voor mij alleen.

Ik heb het gewoon geflikt. 150 kilometer in 5 dagen. Morgenochtend moet ik nog een paar kilometer lopen tot het officiële eindpunt van de West Highland Way, maar praktisch ben ik er.

Wat heb ik een eind gelopen. Ik kan de omvang van het alles maar nauwelijks bevatten. Ik voel me misplaatst in de ruime kamer met de warme verwarming. Ik neem een lange douche, stal al m’n natte, vieze spullen uit in de kamer. Later zink ik weg in het zijdezachte matras. Wat is comfortabel zijn toch fijn soms.

De volgende ochtend sta ik op de High Street voor het standbeeld van een wandelaar met zere voeten, dat het einde van de West Highland Way markeert. De temperatuur is flink gedaald vanochtend. Het heeft iets bitterzoets om hier alleen te staan. Zo veel ontlading, maar niemand om het mee te delen.

Ik heb veel meegemaakt sinds ik vertrok uit de suburbs van Glasgow 6 dagen geleden. Het pad heeft me door elkaar schudt, de kracht uit mijn diepste binnenste getrokken. Ik ben afgepeigerd, maar voel me sterker dan ooit. Als ik dit kan, waar zou ik me dan ooit nog door laten stoppen?

Ik heb 5 dagen in de buitenlucht geleefd, en toch voelt het ook weer zo snel normaal om binnen te zijn. We zijn er te gewend aan als mens. De lucht betrekt, en de deur blijft dicht. Maar door de deur te openen op dit pad, heb ik mezelf wakker gemaakt uit mijn sluimerende staat van zijn. Laat ik van nu af aan de deur open staan. Laat ik de wind door mijn haren waaien, en mijn gezicht richten naar de regen. Verbinding met buiten is verbinding met mezelf.


Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *