Soms voel ik me alleen, en dan duw ik dat gevoel weg, alsof ik het niet zou mogen voelen. Zo wist ik zodra ik neerstreek op Orkney, dat ik niet alleen wilde zijn. En toch zette ik mijn tent op in een lege schapenwei, liep ik naar neolithische tombes en stenen, en stak ik over naar een eiland nog verder weg, nog meer alleen. Vanaf daar liep ik door tot ik niet verder door kon lopen. Nu zit ik hier op een heuveltje in de ondergaande zon te kijken naar een klif die het einde van de wereld zou kunnen markeren. En verwijt ik mezelf dat ik niet geniet van de stilte.
Het is een maatstaf die ik mezelf heb gegeven, door verhalen van gespierde mannen die op bergen bivakkeren, powervrouwen die de wereld rondzeilen, solobackpackers en gebroken harten die zweren beter af te zijn in hun eentje. Ze vertellen mij; het sterkst ben je alleen.
En ook ik voelde me sterk toen ik op eigen houtje landen doorkruiste, kampeerde in het wild, de weg vond. Het is iets moois, om op jezelf te bouwen. En vaak is mijn eigen gezelschap genoeg. Maar vandaag niet.
Vandaag ben ik vervlochten, gekluisterd, versmolten. Verstrengeld met alle ontmoetingen die ik heb gehad. Met de mensen met wie ik hoopte oud te worden. Ze houden allemaal een stukje vast van mijn hart.
Ik kan niet ongebonden zijn. Want ik ben met al het leven verbonden. Ik ben een wortel onder de grond. Ik ben een paardenbloem in de wind. Ik ben een wervelende spreeuw. Maar ik ben mijn zwerm kwijt. Nu ben ik een telg in een bos zonder bomen.

Aan de overkant van de baai liggen een aantal boerderijen. De lichtjes zijn uit. Sommige zijn afgebrokkeld, lege omhulsels die eens het thuis waren van crofters en vissers. Bunnetoon, Quholme, Mucklehouse, Crowsnest – allen hebben ze een naam. Een schim van mensenlevens.
Het is goed zoeken naar het leven hier. Ik zie geen schapen grazen of herten draven; geen zeehonden of otters in het water; zelfs de stormvogels laten zich nauwelijks horen. Misschien heeft de winter ze weggejaagd, naar een plek warmer en beschutter dan deze. Alleen de algen en paardenanemonen zijn overgebleven. Geankerd liggen ze aan glibberige rotsen, hun rode noppen blootgelegd.
Ik zie sporen, ik wil stemmen horen.
Rackwick, wat ben je mooi. Ik zie je reusachtige baai en je rode kliffen. Ik snap hoe ze componisten en dichters roerden. Er is een weemoed in de afzondering.
Die avond probeer ik verbinding te maken. Maar de gedempte stemmen uit mijn bedrade kastje kunnen mijn leegte niet vullen. Ik wil aangeraakt worden…geknepen, omklemd, meegesleept, aangestaard.
Maar vannacht word ik slechts geknuffeld door zwarte muren.
De croft het dichtst bij zee is mijn bothy. Vanuit het donkere nest zie ik de middag avond worden, de avond nacht, en de nacht morgen. Ik heb vaker samen in een bothy geslapen. In mijn eentje is de wind net wat luider, en zijn de stenen net wat killer. Ik slok elk sprankje hitte op die de haard me geeft.


Links: Old Man of Hoy (137 m), rechts: op de ferry van Stromness naar Moaness
‘s Ochtends klim ik Moor Fea op, als de zon na een lange slaap eindelijk is doorgebroken. Het eiland Hoy heeft een waanzinnige kustlijn, misschien wel de meest spectaculaire van heel Schotland. Een kolossale muur van rood zandsteen, in miljoenen jaren uitgekerfd door het geweld van de Atlantische.
Ik sta voor de beroemde Old Man of Hoy. Ik trotseer de wind om hem te aanschouwen. Hier zijn dan toch de stormvogels, cirkelend, krioelend om mijn oren. Ooit had de Old Man twee benen, tot één ervan door een storm werd weggespoeld.
Andere wandelaars verschijnen. Alle ogen gericht op de brandingspilaar in zee. Ik loop verder over de landtong. Niemand komt me achterna. Er is een stevige wind, maar mijn stappen zijn vastberaden over het smalle pad langs de klifrand. Daarachter verschuild ligt St John’s Head. Met 350 meter is het de hoogste zeeklif van Groot-Brittannië.
Als ik dan toch alleen ben, laat ik dan doen wat ik niet durf in het bijzijn van een ander. Laat ik zo vaak stoppen als ik wil, en dansen op de kliftoppen. Laat ik fluiten als de vogels. Laat ik rollen door het gras en schateren van het lachen.
Terug in Rackwick is de bothy volgestroomd met dagjesmensen. Ze houden hun lunchpauze in de windstille hut. Wanneer ik binnenkom slaan ze me nauwelijks gade. Ik ben vereenzelvigd met de stenen die zijn gekluisterd aan de grond.

Misschien is het ook maar schijn, de viering van de afzondering. Zelfs de grootste kluizenaars worden erdoor getroffen. Eén van hen kende ik.
Toen ik voor het laatst noord was, was ik zo moe van het alleen zijn, vertelde hij me eens.
Ik dacht terug aan die middag op Conic Hill, toen ik pas in Schotland was gekomen. Wat had ik gesmacht naar iemand om het mee te delen.
En toen hadden we elkaar gevonden.
Al die tijd had ik naar hem opgekeken, naar hoe hij in zijn eentje de wereld trotseerde. Maar ik was net zoals hij geweest. Ik was als een onbeschreven blad naar dit land gekomen, zonder thuis, zonder mensen. En ik had een heel leven gebouwd uit dat niets. Ik had besneeuwde toppen veroverd, langs de wilde zee geslapen, mijn wereld op mijn schouders gedragen. Ik kon het allemaal alleen. Maar omdat ik het kon, hoefde ik het nog niet te willen. Uiteindelijk zijn we slechts mens, verlangend naar connectie. Onze afhankelijkheid van anderen maakt ons niet zwak. Het maakt ons mens. De mooiste momenten zitten in de reflectie van een glimlach, een hand die je overeind helpt, een warm lichaam naast je op een koude nacht.
Dus pak ik voortijdig mijn rugzak in en loop ik terug naar de mensenwereld. Wanneer een auto stopt en me een lift aanbiedt, neem ik die gewillig. En wanneer Mrs. Brown haar warme deuren voor me opent, glimlach ik, want wat is het toch een voorrecht, om door iemand verzorgd te worden.
Foto’s geschoten op Kodak Portra 400 met mijn Nikon f801.


Geef een reactie