Mijmeringen op een Munro

Droomvertellingen uit de hoogtes van Schotland

Zomer in de Hooglanden: een Fisherfield epos

Sunset over Strath na Sealga with Shenavall Bothy, Fisherfield Forest, Scottish Highlands

Nu ik niet meer in Schotland woon, moet ik het bij elk bezoek doen met het weer dat ik voorgeschoteld krijg. Zomer is geen garantie voor zon, en de eerste weken van juli zagen niets dan grauwe lucht en regen. Wanneer precies in de week dat ik terugkeer een periode van goed weer is voorspeld, weet ik niet hoe snel ik mijn rugzak moet inpakken en op de bus moet stappen, Glasgow uit en de Highlands in.

Deze keer neem ik mijn cavingmaatje Joevie mee, dat net zoals ik gek is op de Schotse reuzen. In de tijd dat ik op het continent zat heb ik gezien hoe Joevie een aantal van de meest begeerde bergkammen in Schotland veroverde, waaronder Aonach Eagach en de Càrn Mòr Dearg Arête naar Ben Nevis. Bij elk fotoverslag werd mijn hoogtedrift groter – nu trekken we eindelijk samen de heuvels in. De route die we voor ogen hebben is uitdagender dan een van ons ooit heeft gepoogd: 1 corbett en 5 munro’s op 1 dag, meer dan 30 km stijgen en dalen over het meest afgelegen berggebied van het Schotse Hoogland: de Fisherfield Six. Wilskracht zal worden getest en voeten gepijnigd, maar wat zullen we worden beloond.

Het Fisherfield Forest is een berggebied in de noordwestelijke Hooglanden, aan de overkant van Loch Broom waaraan Ullapool gelegen is. Anders dan haar naam doet vermoeden is het een uitgestrekte, boomloze wildernis, vol met heuvels verbogen tot mythische gestaltes. Mijlenver van menselijke bewoning wordt het gebied ook wel ’the Great Wilderness’ genoemd. Het is bijna onmogelijk om in één dag de verste munro, A’ Mhaighdean, te bereiken; de meeste wandelaars splitsen de route op met een overnachting in de open bothy bij Shenavall of ze wildkamperen bovenop een heuveltop.

Een knusse bothy, goed gezelschap en zes grootse heuvels: het klinkt mij als muziek in de oren. 5 uur in de bus en een korte lift naar Corrie Hallie later, en we staan aan de start van ons grote avontuur.

Het pad naar Shenavall klimt rustig omhoog door een berkenbos, voordat de glen zich ontvouwt en An Teallach boven ons voor het eerst zijn gekartelde tanden laat zien. Afgeleid door de grote oranje zon over de groene muirs missen we de afslag naar Shenavall, en worden we gedwongen de langere aantocht te nemen, eerst richting de glen van de slingerende Abhainn Loch an Nid, en daarna de koers van de rivier volgend richting Loch na Sealga. Via deze route krijgen we de weidse, open vlakte van Strath na Sealga, de glen waarin Shenavall ligt, in zijn volle glorie te zien terwijl het gouden uur aanbreekt – een geluk bij een ongeluk.

Mijn rugzak is zwaar; in de laatste kilometers langs de rivieroever beginnen mijn voeten al zeer te doen. Een eerste waarschuwing dat ons doel van morgen te hoog gegrepen is?
Nabij de bothy duiken steeds meer tentjes op. Dit mag dan wel de Grote Wildernis zijn, het is een zonnige zomerdag in Schotland en wij zijn verre van de enigen die dit weten. ‘Munrobaggers’ grijpen hun kans om de meest afgezonderde munro’s van hun lijstje te strepen. Het is al tegen zonsondergang als we aankomen, en de grote vraag rest: is er nog plek voor ons in de bothy?

De meeste tentjes die we zien blijken van een filmcrew te zijn die een speelfilm aan het maken is over een wandelaar op de Cape Wrath Trail (de film heet The North – hou vooral hun socials in de gaten, het belooft denk ik een prachtige film te worden). Vanavond gebruiken ze de benedenruimte van de bothy als filmset. Ik snap wel waarom: het rode licht van de ondergaande zon valt perfect naar binnen in het raamkozijn waarin de hoofdpersoon zit. Ik ben de verbazing al voorbij als ik de crew Nederlands hoor spreken; het is niet de eerste keer dat ik tegen wil en dank in mijn eigen volk op de verste plekken tegenkom.

Gelukkig voor ons slaapt de crew niet in de bothy. In de zolderruimte liggen vooralsnog slechts twee andere slaapzakken. We geven de cameramannen de ruimte om te filmen en klimmen zelf de heuvel op voor de zonsondergang. Het uitzicht is werkelijk prachtig – Beinn Dearg Mòr een vleermuis die zijn vleugels spreidt over het zwarte dak van Shenavall en de oranje weerkaatsing van de zon in het meer – maar we krijgen nauwelijks de tijd om ervan te genieten; binnen de kortste keren worden we bruut aangevallen door zwermen midges. Zelfs mijn hoofdnet kan ze niet buiten houden. We springen heen en weer over de heuvel, in een wanhopige poging om ze te ontvluchten, maar de kleine rotzakken zijn vanavond bijzonder onverbiddelijk. Het zijn de stille wind en de ondergaande zon die ze oproepen – de yin en yang van de Schotse zomer; het één kan niet bestaan zonder het ander.

Later die avond komt de ene na de andere wandelaar langs in de bothy, die vandaag de Fisherfield Six volbracht heeft. Rennend over de heuvels of 14 uur geploeterd, allemaal is het ze gelukt. Joevie en ik blijven tegen elkaar zeggen dat we wel zien hoever we komen, maar stiekem begint het binnenin ons te borrelen – dat moeten wij toch ook kunnen?

De Fisherfield …?

Uiteindelijk slapen we die nacht met 6 man op de zolderruimte. Midges, hitte en gesnurk drijven me in en uit mijn slaap, en om 6 uur ‘s ochtends word ik brak wakker. We proberen zo vroeg mogelijk te vertrekken om onze kans van slagen te vergroten, en de mogelijk hete zon voor te zijn. Bij mijn kop thee geven Bob, een Engelsman die vandaag jarig is en gisteravond zijn laatste munro’s op het vasteland voltooid heeft, en Núria, een Spaanse bergbeklimmer, me tegenstrijdig advies over in welke richting we de Fisherfield Six het beste kunnen benaderen. De gebruikelijke route gaat met de klok mee, maar als we denken dat het voor ons te ver is, zegt Bob, dan kunnen we beter tegen de klok in gaan, zodat we in ieder geval het schitterende uitzicht vanaf A’ Mhaighdean te zien krijgen. Núria vindt echter dat met de klok mee de uitzichten beter zijn, en dat je de steilste stukken liever berg op, dan berg af loopt.
Uiteindelijk besluiten we toch met de klok mee te gaan, en als we de eerste heuvel, de meedogenloos steile corbett Beinn a’ Chlaidheimh (914 m), opklimmen, snappen we wat Núria bedoelde: van deze helling waren we werkelijk naar beneden gerold. Er is geen pad, op deze heuvel is het ieder voor zich; wie weet zich de snelste weg omhoog te banen over hoge heide en uitstekende rotsen? De top ligt in de mist, maar op de bealach naar de eerste munro van de dag breekt de zon door. Sgùrr Ban’s kegel is half-groen en half-wit, alsof een reus met een kwast over haar flank heeft gestreken.

Op Beinn a’ Chlaidheimh vechten we met stugge struiken, op Sgùrr Ban (989 m) zijn het duizenden kwartsieten keien, helemaal tot bovenaan de helling. De heuveltop zelf is een breed plateau, dat het uitzicht over de spectaculaire omgeving aan het zicht onttrekt.

We zijn inmiddels al een goede 6,5 uur onderweg, en de pijn in mijn voeten is in alle hevigheid teruggekeerd. Ik heb nooit zoveel last gehad van zeurende voeten en weet niet waardoor het komt; heb ik ze gisteren overbelast met mijn zware rugzak, zijn het mijn versleten schoenen, of is dit gewoon mijn dag niet? Wat het ook is, het maakt de afdalingen bijna ondraaglijk. In het bijzonder die van Sgùrr Ban, waar gruis en losliggende stenen onder je voeten wegrollen. Joevie worstelt op haar beurt met haar knieën. Het zigzaggende pad dat de helling van Mullach Coire Mhic Fhearchair (vraag me niet om dit hardop uit te spreken) opklimt in een ogenschijnlijk onmogelijke hoek verwelkomen we dan ook bijna. Klimmen is vermoeiend maar verschuift ons gewicht. Ondanks dat de munro met 1019 m de hoogste heuvel van de dag is, blijkt haar beklimming de aangenaamste te zijn. Steil maar kort vanaf de bealach, over stevig zand met genoeg steunpunten voor mijn handen en voeten.

Vanaf de top krijgen we dan eindelijk het langverwachte panorama over de omgeving te zien. Rafelende heuveltoppen aan alle kanten, voor kilometers en kilometers. Op de richel onder ons komen de enige wandelaars van de dag ons tegemoet. Het is een merkwaardig iets, zo midden in de zomer, om uitzichten als deze voor jezelf te hebben. Iedereen die van het venster van goed weer gebruik wilde maken, lijkt dat gisteren gedaan te hebben, maar ook vandaag is een uitstekende dag in de heuvels, hoewel wispelturiger. De wolken bieden beschutting en de windvlagen zijn een welkome verkoeling tegen de hete zon.

De wandelaars zijn een Duits stel dat de Fisherfield Six tegen de klok in bewandelt en vannacht op de heuvel voor ons, Beinn Tarsuinn (937 m), gekampeerd heeft. Ze lichten ons in over de padloze stukken die nog komen gaan en het grote moerasveld op de lange bergpas tussen Beinn Tarsuinn en A’ Mhaighdean (967 m) in.

We maken de balans op. Het is nu 15:15. We hebben 13 km achter de rug, en nog zo’n 17 te gaan volgens mijn GPS. Vanochtend hebben we veel tijd verloren aan de helse beklimming van Beinn a’ Chlaidheimh, maar de laatste uren hebben we ondanks zere knieën en voeten goeie vaart gemaakt.

Voor ons ligt de schuine helling van Beinn Tarsuinn, dan een lage bergpas en aan de overkant van de glen A’ Mhaighdean en Ruadh Stac Mor (919 m), de twee laatste beproevingen, nu nog bespottelijk ver weg. Drie heuvels achter ons en drie voor ons, het is een keerpunt – als we voorbij hier gaan, gaan we niet meer terug. Dan maken we af waar we aan begonnen zijn. Het kan nog wel eens een hele uitdaging zijn om Ruadh Stac Mor te bereiken voor zonsondergang. Maar we maken een kans, als we ons momentum vasthouden.

Elke afdaling wordt steiler, en elke stap zwaarder dan de vorige. Op deze bergen heb ik een nieuwe haat ontdekt voor losliggende stenen. De klim naar Beinn Tarsuinn is geleidelijker, maar valt me zwaar; mijn lichaam begint de uitputting te voelen.

De top van Beinn Tarsuinn is wederom een superlatief uitzichtpunt. Nu kijken we recht Gleann na Muice in, de U-vormige vallei waar de Fisherfield Six omheen liggen. An Teallach ligt aan haar uiteinde te pronken. We kunnen terugkijken op de drie reusachtige heuvels die we zojuist hebben beklommen. Wat een enorme afstand hebben we al afgelegd. Aan de andere kant vervolgt Beinn Tarsuinn zich in een smalle richel en een hellend plateau, dat volkomen misplaatst is in zijn omgeving. Het ziet eruit alsof iemand met een groot zwaard het topje van haar kruin eraf heeft gesneden. Voorbij het plateau versmalt de bergkam zich tot een reeks pinnakels, maar wij gaan links ervan de berg af – deze afdaling zo waar nog steiler, nog eindelozer dan de vorige, met nog meer van die vervloekte rollende stenen. Ik kan het niet meer, ik geef me gewonnen, laat me op mijn billen naar beneden glijden – o wat een verlichting voor mijn voeten.

Onder het lopen voeden we onszelf met chocola en nootjes. Desondanks moeten we steeds vaker een pauze inlassen. De uitgestrekte bealach naar A’ Mhaighdean is inderdaad extreem drassig, maar niets anders dan we gewend zijn van Schotse winters. We manoeuvreren ons eromheen. Langzaamaan komt de voorlaatste munro binnen handbereik. De zon is nu verdwenen achter donkere wolken. Er is een verandering in de lucht te voelen.

De klim naar A’ Mhaighdean is een zwoeging; 400 meter omhoog over een bedrieglijk lange grassige helling. Valse top na valse top. Er lijkt geen einde aan te komen, maar dat kan ook onze uitputting te zijn. Ik dwing mezelf om niet te stoppen, want zodra ik dat doe, zou ik het werkelijk opgeven.

Als we tegen 20:30 dan eindelijk over de rand van A’ Mhaighdean, ‘De Maagd’, kunnen turen, laat de zon zich eventjes zien, en verlicht de kronkelende meren Dubh Loch en Fionn Loch helemaal tot aan de zee. Het is een magisch moment, staande op een van de meest afgelegen toppen van Groot-Brittannië, maar ik kan het nauwelijks tot me door laten dringen; ik ben al de berekening aan het maken van wat hierna komt. Ik kan nog net het pad onderscheiden dat tussen de verticale klif van Ruadh Stac Mor omhoog kronkelt. In de invallende duisternis en de rijzende wind ziet het er extra indrukwekkend uit.

Snel dalen we af naar de bealach, onze pijnen verdooft door de spanning. We kijken uit voor een vluchtweg het dal in, maar stuiten op afgrond na afgrond. Wanneer we Ruadh Stac Mor naderen, is de hemel verduisterd door de wolken, en verdwijnt het pad omhoog in de schaduw van de rotsen.

Haar nu nog willen veroveren zou een daad van hoogmoed zijn; onze uitgeputte lichamen blootstellen aan krachten groter dan ons, alleen maar om op die zesde top te staan, wiens uitzichten wie niet eens kunnen zien. Wat maakt ons dan anders dan Icarus die te dicht vloog bij de zon?

Nee, ik ken de boodschap die de Hooglanden me geven, en ik ken mijn limieten. Dus wanneer we een gully vinden die ons naar beneden lijkt te kunnen brengen, nemen we die. Ruadh Stac Mor, de Grote Rode Toren, blijft onoverwonnen.

De donkere, magische nacht

Dan rennen we de woeste heuvel af, een verloren koninkrijk binnen. Een roedel herten wijst ons de weg, verdwijnt dan in de schemering. We volgen de rivier, totdat die een waterval wordt. Twee hindes houden ons in de gaten vanaf de heuveltop. Hun wakende ogen zijn een stille troost.

We dalen af van 750 naar 250 meter en de heuvels worden grote schaduwen boven ons. We klauteren omlaag langs steile rotsen en wilde begroeiing. Soms lijkt de afgrond voor ons onmogelijk. We glijden uit, scheuren onze kleren kapot, maar de gully is vergevingsgezind. Eindelijk komt de zwak twinkelende rivier in zicht, beneden in het dal. Alleen nog een grassige helling verwijdert ons van de oever.
Onze opluchting is groot, maar we zijn er nog niet. We hebben nog 8 kilometer te gaan door het dal, en die kilometers beloven de gruwelijkste te worden. De nacht is ingedaald, en we trotseren haar op een lege maag.

Het is weer een epos: een weg terug vinden naar de bothy, terwijl onze benen het begeven. Over kloven langs de rivieroever, door hobbelige velden die mijn enkels kwellen. Soms vinden we een smal paadje tussen de begroeiing, een korte verlichting.

De nacht is onstuimig. Soms verschijnen sterren kort aan de hemel, voor wolken weer voor ze waaien. We kunnen niet lang rusten, dan koelen we te veel af. Op zijn minst houdt de wind de midges weg.

Acht kilometer is ver, hoe snel je ook loopt. Het is nog verder als je al 25 kilometer in de benen hebt. Die laatste uren maak ik maar halfbewust mee. Mijn oerinstincten nemen het over. Achter me neuriet Joevie als in hypnose, haar laatste sprankje vuur.

De duisternis brengt me in de war, alle heuvels lijken hetzelfde. Maar als we de rivier moeten doorkruisen weet ik dat het einde nadert. Door recente droogte staat het waterpeil laag, maar ik heb niet het geduld om een ondiepe plek te vinden. Ik banjer het water door, het kan me niet schelen dat ik nat word.

Dan een laatste kilometer, dwars door een moeras heen. Ik zak er tot mijn knieën in. Ook dat kan me niet schelen. Als ik maar een dak boven mijn hoofd heb.
Nog een keer de rivier door en we zijn er. Vanaf onze oever zien we niet dat de plek waar we oversteken naar een ondoorgrondelijk bos van doornstruiken leidt. Ik loop tegen de stroming in, mijn kleren doorweekt, zoekend naar een ingang, maar die is er niet. Terug naar de kant en verderop opnieuw.
Kwijnend kijken we uit naar de hut. Joevie denkt een dak te zien, maar het is maar een boom. Dan zien we de weerspiegeling van vierkante ramen en wat kilometers waren, zijn nog slechts meters. Witte ogen reflecteren in onze lampen; tenten op het grasveld, maar ook een paar bewegende. De herten verwelkomen ons thuis.

Ik ben bang dat we te ver zijn gegaan vandaag, dat de slopende tocht terug onze grote prestatie overschaduwt. Vanaf het moment dat we het pad verlieten was mijn enige prioriteit om Joevie en mij veilig terug te krijgen bij de bothy. Hierdoor heb ik weinig oog gehad voor de schoonheid om me heen.
Maar als we om 2 uur ‘s nachts, 18 uur nadat we vertrokken, eindelijk in onze slaapzakken zijn gekropen, glundert Joevie. Onze weg vinden door de gully, met herten die over ons waakten, was haar favoriete moment van de dag.

Ik waardeer Joevie om haar onbevangen verwondering. De zwaarste beproevingen brengen nog een glimlach op haar gezicht.

Een donkere glen is voor mij bekend terrein – afgelopen november heb ik de helft van de West Highland Way door het duister gelopen. Soms vergeet ik de sensaties die de nacht teweegbrengen, de huivering en de magie, de wiegende bomen en zwarte heuvels. Maar nu denk ik terug aan de verwondering die ik voelde op mijn eerste nachtwandeling door het Zuid-Schots Bergland, de verwondering die Joevie nu gevoeld moet hebben. En ik ben dankbaar dat ze me eraan herinnert.

Die nacht kloppen mijn voeten van de pijn, maar mijn hart klopt harder, voor de liefde die de bergen me geven. Eens zal ik terugkeren en Ruadh Stac Mor veroveren. Maar nu is het onze Fisherfield Five, die in mijn hart staat gegrift.


Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *