In april was ik buiten in Schotland en schreef ik dit gedicht.
Ik ren van ziekenhuis naar zee
Gepiep nog in mijn oren
De morfinepomp nu
De kwikstaart die neerstrijkt
Neemt mijn ogen mee
Ik kan het als geen ander
Opgaan in het nu
De muren verdwijnen, witte jassen gaan uit
Ik ben niet meer de mensendokter
Ik ben slechts mens en mijn wereld is de zee
Nu kunnen mijn handen weer voelen
Mens tot mens, huid op huid
Hier mag ik ook weer huilen
Tranen lossen toch op in zout
Ze zijn het verlengde van de golven
Die gieren tegen kaap Elie

Ik wend me tot het pad
Zachtjes deinen over de klif
Ik denk niet meer aan de gangen
Kil als de naakte bergrug
Maar soms, als de wind vervaagt
En de raaf naar me lacht
Is daar diezelfde verzachting
Als wanneer ik even in haar hand knijp
En zeg dat ze naar huis mag
Ik dacht dat ik naar buiten wilde
Maar ik wilde gewoon samen zijn
Misschien zijn ze niet zo gek verschillend
Op een berg ben ik zelden alleen
Daar wissel ik woorden en blikken
Ik pak een hand, ik geef er één
En de rotsen, ze ademen voeten
Voeten die houvast zoeken
Voeten die stampen, peinzen
Voeten die doelloos reizen
En soms ook handen
Handen die grijpen
Handen die verlangen
Naar het beetje warmte dat de rots ze geeft

//
Daar zitten we dan
Op een rots aan het strand
Ik pak je hand
En ik vraag me af
Wie ben jij
En wat is dit
Ik weet het niet
We zijn gewoon
Zoals een mens dat doet



Geef een reactie