‘It doesna bother ye, living here?’ zegt de tuinman op een ochtend. Ik moet hem vragen of ik het goed versta.
Nee, antwoord ik verrast. Ik vind het geweldig om hier te wonen!
Is het niet ironisch, hoe we altijd de minste waardering hebben voor de plek waar we vandaan komen.
Je kunt hier je hele leven wonen, de Pentlands aan de horizon in rood, grijs en groen, en ze aan je voorbij laten gaan. Tot de paden afgebrokkeld zijn, de bomen afgebrand.
In plaats van de huizen van rotspleister en de koude gangen, zie ik hier wat ik thuis mis: een leven bij de natuur.
De Schotten grappen graag over hun land, maar tegelijkertijd zijn ze één van de weinigen die hun land wél weten te waarderen. Misschien niet hun eigen huis, maar wie is er niet nostalgisch over nachten in een Highland bothy met een glaasje whisky.
Waar de wind blaast.
Dichtbij het wilde hart.

In Portobello waarderen ze het als geen ander, het buitenleven – het is hier altijd een drukte van jewelste, van de oude vrouwen die om 7 uur ‘s ochtends in zee zwemmen, tot de joggers en hondenuitlaters op de promenade. ‘s Avonds keren de laatste kano’s terug aan wal, en worden de kampvuren aangestoken.
Zal dat ook zo zijn wanneer het donker wordt?
Of zeggen we dan gedag tegen het wilde hart?
Zoals die oude vrouwen is het water ook mijn toevluchtsoord geworden. Ik zwem. In het zonovergoten loch. In de snelstromende rivier. In de woeste zee.
Ik fiets langs de oevers van Loch Lomond, ik fiets alle baaien van de Firth af, om daar dan weer te zwemmen.
Eens per week komen zo’n honderd studenten samen voor een duik. Onder hen zijn Bea de vogelaar, en Connah, milieubeschermer en grappenmaker. Beiden vinden ze het koud, maar toch wagen ze elke week weer de sprong. Mensen zijn nou eenmaal volslagen zintuiglijke wezens.


Elke keer slaat ze me in het gezicht, ontneemt me de adem. Doet mijn zenuwen tintelen. Mijn bloedvaten samenknijpen.
Steeds weer zoek ik het op, die kou.
Want dan weet ik weer dat ik ademhaal.
Wanneer ik mijn longen vul, is het een oerinstinct, zoals een pasgeborene die voor het eerst ademt.
In het water voel ik me wakkerder dan waar dan ook.
Als ik iets langer blijf, dan versmelt ik met het water.
De kou omsluit mijn wilde hart.
Daar kan verder niets me raken.
Even voor altijd.

Op een avond ga ik naar de sauna in Portobello. Vier vrouwen vergezellen me in de stomende ruimte. Ze spreken met elkaar op een tedere, bedachtzame toon die me vertelt dat ze elkaar door en door kennen.
Samen rennen we af op de zwarte zee. Dobberen in het stille water, de lichtjes van Edinburgh spiegelen om ons heen. We joelen, lachen. Donkere wolken vliegen over en de maan komt op. Het is euforisch.
Wanneer ik uit het water stap, dan komt de kouvloed, een elektrische puls. Ze raast door mijn lijf. Even ben ik ijs in een wereld van vuur.
De kou sijpelt.
Dichtbij het wilde hart.

Ik ben tevreden hier in Porty; ochtenden in de sauna, koffie drinken in de erker van Tills boekenwinkel. Ik geniet van mijn eigen gezelschap, en de kleine ontmoetingen. Maar naarmate de weken verstrijken, gaat het toch kriebelen.
De Lomond Hills aan de horizon, en daarachter de belofte van nog 200 mijl aan heuvels, helemaal tot aan Cape Wrath.
De roep van de Hooglanden.
Dan moet ik nog een week wachten, want storm Amy komt tussendoor. Maar dan ga ik.
En raak ik eindelijk het wilde hart.
Foto’s geschoten op Ilford HP5 Plus 400 (+1) met mijn Minox 35 GT.


Geef een reactie