Ik hijs mezelf omhoog door de overkapping, brandende zon in mijn nek – dit kan toch geen oktober zijn? Aan de overkant van het dal lonkt Braeriach bloot, wolkeloos. Maar ik ben vele uren van hem verwijderd, en in die uren kan alles nog veranderen.
De fiets op sleeptouw
Het zou geen avontuur zijn als er niet van alles misgaat.
Deze keer begint dat zodra ik m’n huis verlaat. Het is een zonnige zaterdagmorgen en iedereen wil naar Edinburgh. De trein zit vol en m’n fiets kan er niet meer bij.
Ik doe nog een poging om de bus naar Aviemore te halen door zo snel ik kan naar het centrum te fietsen. Bezweet en buiten adem kom ik aan.. 10 minuten te laat. Gelukkig mag ik gratis op de volgende bus, over een uur.
Een uur vertraging kan ik wel hebben. Maar bij Dunkeld strandt de bus (een klassieker) en komt er nog een half uur bij, terwijl we wachten op de volgende bus. Wonder boven wonder passen we daar allemaal in, inclusief mijn fiets.
Tegen de tijd dat we in Aviemore aankomen, is het nog maar de vraag of ik m’n beoogde kampeerplaats voor vannacht ga bereiken.

Stiekem hoopte ik door Edinburgh’s “heuvels” een beetje een fietsconditie opgebouwd te hebben. Maar nee hoor, binnen een paar minuten ben ik alweer helemaal buiten adem. Het is ook niet alsof ik rustig aan kan doen: na alle buscalamiteiten heb ik 1,5 uur voor de zon ondergaat. En de route naar Loch Einich duurt 1,5 uur. Tel daar met volle bepakking makkelijk een uur bij op en je rijdt in het donker. Wandelend zou ik dat geen probleem vinden – ik heb vaak door de nacht gewandeld – maar op de fiets lijkt dat me toch een minder goed idee.
En die inschatting is juist: de route is op en neer, op en neer, over rollende stenen, hobbels en kuilen, door rivieren en modderpoelen, en ik moet me goed concentreren. M’n mountainbike krijgt het zwaar te verduren en ik ook. Uiteindelijk zijn het vooral m’n triceps die ik train, meer dan m’n beenspieren. Iets anders heb ik namelijk minder goed ingeschat: al m’n spullen zitten in twee fietstassen achterop de fiets – lekker lichtgewicht dacht ik. Maar hierdoor heb ik zoveel gewicht achterop dat ik bij het klimmen steeds bijna achterover kukel. Dus duw ik m’n fiets vooral naar boven. Naar beneden is bijna nog erger, zo steil dat ik bang ben fiets en al naar beneden te rollen.
Het zijn me weer 7 helse kilometers. Het landschap is schitterend, maar ik heb er niet veel aandacht voor: ik ben alleen maar bezig met voor het donker bij Loch Einich komen. Want alternatieve kampeerplekken zie ik ook niet: het is één en al heide hier.
Ondanks mijn slakkentempo weet ik het toch in 2 uur te doen, en in de laatste schemering kom ik aan bij het meer. Er zijn al twee kampeerders: de één was vandaag op Braeriach, de ander is vanuit Newtonmore komen fietsen.
Net op tijd, lachen ze.
Vannacht stond er een stevige wind in de glen, en op Braeriach hing er vandaag veel mist, dus ik ben blij dat ik heb besloten een dag later te komen.


Ik zet mijn tent op naast de man uit Newtonmore, en dan kan het genieten beginnen. Het is één van de meest aangename nachten kamperen die ik in Schotland heb gehad. Ik zit aan een rivier, dus drinkwater. De wind is zacht, het is helemaal niet koud en.. geen midges!!
Tot nu toe is de herfst sowieso ongelooflijk zacht geweest (iets bitterzoets). Vorige week was er weliswaar storm Amy, maar inmiddels is de wind bedaard en wandel ik met een temperatuur van 16 graden.
Struikgevechten
De volgende ochtend laat ik mijn tent en fiets achter bij het meer, en ga ik te voet verder. Ik ben nog geen 10 seconden onderweg of ik heb al natte voeten. Om Sgòr Gaoith, de eerste heuvel van de dag, te beklimmen, moet ik de uitvloed van Loch Einich door. Vanwege storm Amy heeft de rivier een aardig volume gekregen: ondiep genoeg om doorheen te waden, maar al snel ben ik tot m’n kuiten onder.

Aan de overkant kan ik de tent nog zien, lonkend met droge sokken.
Ik stel me de lange dag voor met een plas water in m’n schoenen.. Ik dacht het niet! Ik ga terug, pak m’n droge sokken en ga een derde keer de rivier door. In ieder geval heb ik daarna geen doorweekte, maar slechts vochtige sokken.
Eigenlijk maakte het vrij weinig uit, want direct daarna word ik door het moeras verzwolgen. Ik moet een eindje Glen Einich uit om een deel van de heuvelrug te bereiken dat vlak genoeg is om te beklimmen. En dat moet door diepe kuilen, struiken en slib. Af en toe vind ik een hertenpaadje, maar het is toch vooral dwars door de verticale heide.

Ik negeer mijn GPS, die me langs een onmogelijke klif omhoog wil sturen en loop (lees struikel) nog een stuk verder voor ik aan de echte klim begin. Ik ben blij dat ik dat gedaan heb, want ook verderop is het bijna niet te doen. Ik heb hier echt niks over te zeggen behalve dat het gruwelijk was, en ik alleen maar kon hopen dat het snel voorbij was. Dat was het niet. Ik moet mezelf werkelijk omhoog trekken door het struikgewas.
De zon is inmiddels boven de heuvels uitgekomen. En hij brandt fel in mijn rug. Zo fel dat ik het in een hemdje nog heet heb. Stom genoeg ben ik mijn zonnebrand vergeten en moet ik me nog druk maken of ik verbrand ook.
Ik kijk een aantal keer achterom en dan zie ik de strakblauwe hemel boven de Cairngorms. Met slechts een koel briesje is het de perfecte dag om in de heuvels te zijn.


En dan vlakt die gruwelijke helling plots af en sta ik op de bergkam. Ik slaak een zucht. Daarmee heb ik wel mooi het zwaarste deel van de dag gehad.
Vanaf hier is het een korte klim naar de top van Sgòr Gaoith, langs de cairn van Sgoran Dubh Mor. Hierboven waait het harder; mijn lange mouwen gaan weer aan. Vanuit Glenfeshie is Sgòr Gaoith redelijk makkelijk te bereiken en dat maakt ‘m populair bij wandelaars. Op de top komen en gaan ze – ik heb nog nooit zoveel mensen op een munro gezien. Maar ik heb er ook nog nooit gestaan op een stralende zondag als deze.

Sgòr Gaoith is niet alleen geliefd om haar bereikbaarheid, hij is ook nog eens geweldig mooi. Zijn puntje steekt uit boven grillige rotspartijen die dramatisch naar beneden storten richting Loch Einich. Aan de overkant ligt de reus Braeriach met zijn vele corries. Ze lijken met een ijslepel uit de bergwand te zijn geschept. Braeriach, daar ga ik naartoe.
Een dikke wolk en een oude vriend
Braeriach is de op twee na hoogste piek van Schotland, en zijn uitzichten over de Lairigh Ghru zouden behoren tot de mooiste in het land. Toch wordt hij veel minder bezocht dan zijn grotere broers, Ben Macdui en Ben Nevis, want hij is veel moeilijker te bereiken.

Om bij Braeriach te komen vanaf Sgòr Gaoith moet ik het Moine Mhòr-plateau over, een uitgestrekte veenvlakte met eindeloos veel meertjes. Even wandel ik samen met de munrobaggers, dan buig ik van het pad af, en ga ik de vlakte op. Het terrein is grotendeels padloos en af en toe drassig, maar het is niets vergeleken met het moeras vanochtend, dus ik heb helemaal niets te klagen (behalve over m’n camera die ik in een rivier laat vallen). De laatste keer dat ik hierboven was, was het plateau donker en besneeuwd. Nu is het gras felgeel in de blakende zon.
Hert, raaf, arend, sneeuwhoen – ze komen één voor één voorbij vandaag, als in een sprookje.

Tot aan Carn na Criche, een lagere top van Braeriach, is de zon aan mijn zij. Maar aan elk sprookje komt een eind. Bij de cairn omhult een wolk me, en dan is het opeens spannend of ik wel uitzicht zal hebben vanaf Braeriach.
Nabij de ontspringing van de rivier Dee laat het meer Lochan Uaine zich even zien, aan de overkant van Garbh Choire. Het ligt spectaculair tussen de heuvels Cairn Toul en The Angel’s Peak. Dan slokken de wolken de Cairngorms op, en zie ik niets meer tot bovenop de top. Ik wacht een tijdje, ik heb nog wel even voor de zon onder gaat. Ze is vlakbij, gloeit warm achter de nevel. Maar hoe dun de wolken ook zijn, ze blijven koppig op hun plek. Een groepje mannen komt voorbij, werpt een korte blik op het uitzicht dat geen uitzicht is, en loopt door.
Als de zon begint onder te gaan, moet ik me erbij neerleggen – ik heb vandaag immers al genoeg natuurschoon gezien. Ik begin aan de afdaling, en al na een paar meter trekt het wolkendek open. Zo snel dat het verdacht is. Ik kan het niet laten, nog één keer werp ik een blik op het uitzichtpunt iets onder de heuveltop.
En daar maken de wolken ineens plaats voor een oude vriend, de brockenspook. De ondergaande zon is perfect uitgelijnd en weerkaatst mijn schaduw in de wolken. Eromheen schittert glorie na glorie na glorie.

Ik ren terug naar de top van Braeriach en ook die is vrij nu. In de verte spot ik even de mannen op de bergrichel, gesierd door een glorie, tot ze weer opgaan in het wit.
En dan zijn ze er toch, de pieken van de Cairngorms, glurend boven de wolken. Ze zeggen dankjewel voor je geduld.



Misschien dat het zo nog verder opentrekt, en ik het dal zou kunnen zien, maar ik heb mijn geluk nu wel uitgespeeld denk ik. Dus ik hol af op de ondergaande zon, met mijn brockenspook die me achtervolgt.
De zon zakt net weg achter Sgòr Gaoith wanneer ik het pad de berg af vind. Even is het steil naar beneden over glibberige rotsen, maar ik heb nog genoeg licht. Al snel vlakt het pad af en loop ik op m’n gemak terug naar Loch Einich. Nog lang hangt er een roze gloed over Braeriach – een alpengloed.
Er wordt gezegd dat de alpengloed indirect licht is verspreid door waterdeeltjes in de lucht, maar ik denk graag dat het de zon is die ver in het westen nog niet onder is – en er is niets tussen haar en de op twee na hoogste piek van Schotland.
Terwijl het laatste schemerlicht verdwijnt, droom ik al van de sterren die opkomen. Wat zullen ze mooi zijn op een heldere nacht als deze. Eén voor één komen ze tevoorschijn wanneer ik het meer nader. Terug bij de tent kook ik tortellini en tegen de tijd dat ik mijn eten op heb, is de Melkweg aan de hemel verschenen. Opgerold in mijn slaapzak, met mijn hoofd buiten de tent, kijk ik naar de sterren. De magie van de dag suddert na in de lucht. Ik lig daar misschien wel een uur, in een deken van rust. Ik heb nog nooit zoiets sereens gevoeld.
Onverwachts is het die nacht best koud. Ik heb dat niet gedroomd: ‘s ochtends is alles bedekt met een laag rijp. Ik trek m’n bevroren schoenen aan en met tegenzin begin ik in te pakken. Wat doe ik idioot, denk ik dan – ik heb geen haast, mijn bus gaat pas om 3 uur vanmiddag. Dus ik kruip terug in m’n slaapzak en warm m’n ijskoude voeten op tot de zon er is. Die laat nog een hele poos op zich wachten, maar zodra ze boven de heuvels uitkomt, is de kou meteen verdwenen.


De fietstocht terug is heerlijk, vooral berg af met een zalige zon in mijn rug. Ik neem het pad dat ik eigenlijk op de heenweg had willen nemen maar had gemist, laag langs de rivier. Dit pad is een stuk ruiger – modderig en dichtbegroeid met dennennaalden. Maar het is ook leuk om een weg te banen over de obstakels – dit is het soort mountainbiken waar ik van houd.
De bergen verdwijnen uit het oog wanneer ik Aviemore nader. Het stadje zit vandaag in een dikke mistbank. Het is een compleet andere wereld dan de zonneschijn bovenin de Cairngorms. Misschien is het maar goed dat ze daar blijft, zodat ik haar daar weer kan vinden.
Het had het weer allemaal, dit weekend: ontberingen en o zo veel beloningen. Op wederom een magisch avontuur – Schotland heeft er te veel voor een mensenleven.



Geef een reactie