Mijmeringen op een Munro

Droomvertellingen uit de hoogtes van Schotland

Bothy cultuur

Bikepack to Gameshope bothy, Southern Uplands

De eerste keer dat ik in een bothy sliep, was het koud en nat en griezelig – een in moeras verzopen kluwen bij een houtloze haard. Uit wanhoop verbrandden mijn vrienden en ik een boek, snakkend naar een sprankje hitte. Het verdween veel te snel weer. ‘s Nachts rammelde de deurgrendel als een klopgeest.

Het weerhield me er niet van om terug te gaan, want iets fascineerde me aan deze stenen omhulsels in de Schotse wildernis. Al eeuwen vormen ze een schuilplaats voor de herder, de jager, de zwerveling.

Met de tijd begonnen de eenvoudige hutten steeds knusser te voelen – of het nou was door de grote bank, het gezelschap, of simpelweg door een warm vuur. Ze werden mijn kleine thuis op mijn tochten door de Hooglanden.

Bothies zijn een plek van spiritualiteit, van viering. Martyn Bennett vergelijkt in zijn album Bothy Culture bothies zelfs met een dansvloer, die van vier kale muren bij binnenkomst kan transformeren in een genot voor de zintuigen. Voor mij neemt dat genot de vorm aan van een borrel whisky die in mijn slokdarm brandt en het geknetter van een haardvuur. Ik heb nog nooit gedanst in een bothy, dat zou ik eens moeten proberen. Op de muziek van de wind en de stroming van de rivier.

Mijn vriend Pepijn is sinds die beruchte eerste trip niet meer terug geweest in een bothy. Ik heb mezelf voorgenomen hem onder te dompelen in de ware bothy cultuur.

Dat lukt nog niet meteen. In de schemering stappen we binnen in Tomsleibhe bothy op het eiland Mull. We moeten drie krakende deuren openen om in één van de drie slaapvertrekken te komen.

‘Wat een griezelige plek,’ zegt Pepijn.

Op barre wintertochten in het verleden kon ik geen welkomere plek verzinnen. Daardoor was ik vergeten hoe een bothy er op het eerste oog uitziet voor een vreemdeling: als een behekste ruïne. We lopen een paar keer heen en weer tussen de verschillende kamers om ons vertrek voor vannacht te kiezen. Twee ruime kamers met een haard, één kleintje ertussenin met slechts een slaapplatform voor twee. Het duurt even voor we begrijpen waarom het linker vertrek ons allebei meer aantrekt. De ander heeft een boekenkast, en een schilderij op de muur – toch is er iets kils aan die ruimte. Later beseffen we dat daar een tweede raam ontbreekt, waardoor we ons er ingesloten voelen.

Tot zover voelt Pepijn het nog niet, de bothy magie. De waarschuwingen in het gastenboek voor een dood schaap stroomopwaarts helpen ook niet, al helemaal niet als ik erachter kom dat ik mijn waterfilter ben vergeten. Met zaklamp struinen we de rivieroever af. Er zijn heel wat schapen in de buurt, wat sowieso niet veel goeds zegt over de waterkwaliteit, maar gelukkig zien we geen dode schapen. Dus we wagen het er maar op; we moeten toch water drinken, al koken we het eerst goed.

Maar Pepijn begint het te snappen, als we onze heerlijk kazige ravioli hebben klaargemaakt, de whiskyflacon is geopend, en we onze voeten roosteren bij het haardvuur. De ruimte is opgewarmd en voelt een stuk behaaglijker. We lezen de sprookjes van de bothygangers voor ons, en schrijven zelf over de buizerds in de glen en de grillige pieken die we morgen zullen beklimmen, nu fabelachtig in de duisternis. Onze sokken zijn droog gebleven in Mull’s modder, dus we hoeven niets te drogen. Het vuur is helemaal voor ons.

Wat mis ik dat haardvuur twee maanden later, wanneer ik in Gameshope bothy ben in het Zuid-Schots Bergland. Ik heb 50 km gefietst om hier te komen tegen windstoten van 60 km/h in – de naweeën van storm Bram. De laatste 15 km kwam daar horizontale regen bij, maar toen wist ik dat ik er bijna was. Bijna dan, want de laatste paar kilometer werd weer een epos: kissing gates waar mijn fiets niet doorheen past, fietslampen die uitvallen en een woeste rivieroversteek. Om maar niet te spreken over de wind. Die laat weer eens zien dat hij de mens zijn grootste vijand is. Hij kan je van een klif afgooien, bevriezen, en niets kan je ertegen beginnen.

Deze keer vraag ik me wel af of het het waard is, deze primitieve, haardloze bothy. Morgenvroeg zal ik worden begroet met zon op White Coomb (821 m) als Schotland me goedgezind is. Daar klamp ik me maar aan vast. Er is een staaltje verbeeldingskunst voor nodig om deze bothy een gezellig gevoel te geven. Twee ramen, een tafel en een paar roestige stoelen. De Nepalese vlaggetjes aan de muur zijn het enige sprankje kleur. Als ik mijn maag gevuld heb, mijn lampjes heb opgehangen en ingestopt in mijn slaapzak een boek lees, zie ik het al meer. Bovendien is Gameshope toch wel echt mijn redding van de wind.

Maar de zon komt niet, en White Coomb krijg ik evenmin te zien. ‘s Ochtends klim ik de steile heiling van Great Hill (774 m) op. In de vallei is de wind vanmorgen gaan liggen, en ik heb goede hoop. Maar op de heuvelrug keert hij met volle kracht terug. Ik marcheer over de hoogvlakte, met White Coomb’s flank in zicht. Hij is niet ver weg, maar ik heb haast – ik heb vandaag nog eens 50 km te fietsen als ik thuis wil komen. Als ik er bijna ben verstopt de heuveltop zich passend achter witte wolken. De wind is al druk bezig mijn natte lijf af te koelen – om hier te komen moest ik nogmaals Games Hope Burn door, dit keer tot mijn dijen – en ik besluit om te keren. De heuvels zijn onbarmhartig vandaag. Maar zulke dagen moeten er zijn zodat we de mooie blijven waarderen.

Vannacht heeft het flink geregend, en de rivier is opgezwollen. Ik durf het niet aan in één keer mijn beladen fiets naar de overkant te duwen. Dus moet ik drie keer heen en neer met mijn spullen. Ik ben dankbaar voor mijn frequente duiken in de zee – de kou van het water voel ik bijna niet. Als ik mijn fiets weer heb bepakt, mijn droge kleren aan en op het punt sta te vertrekken, opent het wolkendek even. O wat zijn ze mooi, Gameshope’s puntige dak en kolkende rivier, sprankelend in de zon.

Elke bothy, hoe koud ik het ook had, hoe alleen ik me ook voelde, blijft achter in mijn herinnering als een warme omhelzing. Daarin stoomt de hitte van mijn lijf, echoën liederen door de nacht en glimmen de vloeren in maanlicht. In bothies staat de tijd stil en dans ik een cèilidh met de heuvelgeesten.


Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *